Fred Nijhuis

Your favorite Dutch wine writer

Druiven, druiven en nog meer druiven...

Resultaten van een onderzoek naar de herkomst van- en relaties tussen Piemontese druivenrassen.

Nebbiolo, Anna Schneider en ik.

Er is al veel gezegd en geschreven over de nebbiolo, onder meer ten aanzien van zijn herkomst en relatie met andere druivenrassen. Een aantal jaren geleden zorgde de bekendmaking dat hij (via de freisa) verwant is aan de viognier enig opzien; weinig mensen hadden dat verwacht.

Enkele weken geleden werd een rapport gepubliceerd naar aanleiding van een onderzoek naar de origine en verwantschappen van (veelal) Piëmontese druivenrassen door Stefano Raimondi, Giorgio Tumino, Paola Ruffa, Paolo Boccacci, Giorgio Gambino & Anna Schneider, verboden aan respectievelijk het National Research Council of Italy-Institute for Sustainable Plant Protection (CNR-IPSP) in Turijn, de Council for Agricultural Research and Economics-Research Centre for Genomics and Bioinformatics in Fiorenzuola d’Arda en de University of Turin-Department of Agricultural, Forest and Food Sciences (UNITO-DiSAFA) in Turijn.

Professor Anna Schneider leerde ik jaren geleden kennen tijdens een seminar over nebbiolo in Sondrio (Valtellina) en sindsdien hebben we zo en toe contact (voor alle duidelijkheid: als ik informatie nodig heb 😉). Ze stuurde me een link naar het rapport en ik maakte er het volgende verslag van.

Vitis vinifera
Het betreffende onderzoek richtte zich niet alleen op de nebbiolo, maar ook op de barbera en andere druivenrassen uit het noordwesten van Italië. Er zijn er honderden bekend, maar hun verschillen, overeenkomsten en onderlinge relaties waren eeuwenlang onduidelijk. Geen wonder, want in de loop van de eeuwen hebben zich er duizenden ontwikkeld (spontaan of bewust gekruisd of gemuteerd) en/of zijn ze gemigreerd of verdwenen. Onderzoeken in het verleden richtten zich doorgaans op Vitis vinifera-variëteiten, want deze als edel aangemerkte druivenrassen vormen nu eenmaal de basis voor de belangrijkste kwaliteitswijnen. Moderne cultivars (door veredeling of nieuwe kruisingen) krijgen minder aandacht, vooral omdat ze slechts een zeer klein deel van de bijna 7,5 miljoen hectare aan wijngaarden op onze planeet voor hun rekening nemen.

Bekende onbekenden en onbekende bekenden
Van een aantal bekende druivenrassen is de herkomst bekend en vaak zijn allerlei bijzonderheden goed gedocumenteerd, soms al sinds de Middeleeuwen. De Pinot werd bijvoorbeeld al in de 14e eeuw beschreven, Garganega en Nebbiolo zelfs al in de 13e en 12e eeuw. Waar deze en vooral anderen nu precies vandaan komen en hoe ze zijn ontstaan is al heel lang een interessante bron van discussies en misverstanden. Kijken we alleen al naar Italiaanse variëteiten, dan zien we tal van druiven met dezelfde naam, terwijl het geheel andere rassen betreft. Pas in de jaren ’90 van de vorige eeuw werden familierelaties daadwerkelijk aangetoond via DNA-typering. Moleculaire markers leverden indicaties op t.a.v. de geografische oorsprong van oude druivenrassen, hun nakomelingen en verwanten, de geschiedenis ervan en migraties in de loop van de tijd. Vergeten druiven werden (her-)ontdekt, bleken soms de ontbrekende schakel in de geschiedenis van hun nakomelingen en verklaarde niet zelden hoe wilde Vitis vinifera subsp. Sylvestris-variëteiten zich ontwikkelden in gedomesticeerde rassen.

Methoden
Voorheen werd vooral gebruik gemaakt van zogenaamde Simple Sequence Repeats (SSR’s) voor rassenidentificatie en deze techniek vormde ook de basis voor het samenstellen van de Vitis International Variety Catalogue (VIVC). De laatste jaren hanteert men steeds vaker de Single Nucleotide Polymorphisms (SNP’s) dat sneller is, meer informatie oplevert en geautomatiseerde verwerking mogelijk maakt, gebruik makend van het computerprogramma Colony, geschreven door Jinliang Wang. Dergelijke fylogenetische studies (afstammingsgeschiedenis van een groep organismen) baseren zich op de analyse van chloroplast-DNA (DeoxyriboNucleic Acid), dat vrij voorkomt in het stroma (de grondvloeistof) van een chloroplast/bladgroenkorrels en altijd wordt geërfd van de moeder. Daardoor heeft chlorotype-identificatie in de kiemplasma van Vitis vinifera inzicht gegeven in de relaties met de sylvestris-ondersoorten, de oorsprong van oude cultivars en geografische verspreidingspatronen.

Druivenrassen in Italië
Italië behoort tot de rijkste landen waar het de genetische diversiteit in vinifera betreft, zowel in wilde als gecultiveerde vormen, het gevolg van unieke en zeer uiteenlopende ecologische, economische, culturele en geografische factoren. Op de ruim 700.000 ha aan wijngaarden staan maar liefst 1038 druivenrassen die als authentiek Italiaans worden aangemerkt en als zodanig zijn opgenomen in het VIVC. Ter vergelijking: Spanje telt er 348, Frankrijk 552.

Druivenrassen in Piemonte
In Piëmonte zijn 47 lokale druivenrassen toegestaan die allemaal zijn voortgekomen uit natuurlijke hybridisatie of selectie en als autochtoon worden beschouwd, waaronder de nebbiolo, barbera en dolcetto. Naast 20 andere rassen met een bekende buitenlandse oorsprong (chardonnay etc.), zijn er nog bijna 200 originele druivenrassen die slechts in zeer geringe hoeveelheden aanwezig zijn. De meeste daarvan zijn afkomstig van oude tot zeer oude wijngaarden en worden onderzocht o.a. door aanplant in speciale wijngaarden bij Grinzane Cavour, een initiatief van CNR (National Council of Research), IPSP (Institute for Sustainable Plant Protection) en Vignaioli Piemontesi in samenwerking met Agricultural School “Umberto I” en Piemonte Regional Administration, department Agriculture Development.

Onderzoek
Het onderzoek van Raimondi, Tumino, Ruffa, Boccacci, Gambino en Schneider richtte zich primair op traditionele druivenrassen die nu (of in het verleden) in het noordwesten van Italië worden geteeld. Er werden drie hoofddoelstellingen bepaald:

  1. Het beoordelen van de juiste identificatie van traditionele variëteiten o.g.v. DNA-eigenschappen, ampelografische bronnen en historische rapporten
  2. De genealogie en geografische oorsprong van deze druivenrassen onderzoeken, rekening houdend met mogelijke migratie uit andere gebieden.
  3. Het onthullen van de lokale wijngeschiedenis en -cultuur.

Nucleaire en chloroplast-SSR-markers vormden samen met SNP’s de basis voor het onderzoek, aangevuld met additionele methoden voor niet-genotypeerde rassen. Samen zorgden ze voor een stamboom met vrijwel alle druivenrassen en hun wel of niet bestaande onderlinge relaties.

Allereerst werd van 186 unieke genotypen uit Noordwest-Italië de rassenidentiteit bepaald. Zestig genotypen kwamen overeen met variëteiten die waren geregistreerd in de Italiaanse National Grapevine Variety Catalog en de meeste variëteiten met lokale namen werden geïdentificeerd op basis van historisch en ampelografisch bewijs. Een aantal wijnstokken waarvan geen naam bekend was, werden toch geïdentificeerd door kenmerken te vergelijken met betrouwbare historische beschrijvingen en/of beeldmateriaal. Uiteindelijk bleven er 22 ‘onbenoemde’ variëteiten over, waarvan er 10 werden gespecificeerd als “verondersteld” en 12 niet anders dan “onbekend wit” of “onbekend zwart” konden worden genoemd.

Stefano Raimondi
Paola Ruffa
Giorgio Tumino
Anna Schneider
Giorgio Gambino

Coccalona nera
Een opmerkelijke rol bleek de Coccalona nera te spelen, een in eerste instantie naamloze druif uit het zuidoosten van Piëmonte die uiteindelijke een sleutelpositie in het onderzoek innam. Oude beschrijvingen van de druif leidden ertoe de druif Coccalona te noemen, vooral gebaseerd op de overeenkomst van die oude druif met zijn buitengewone overvloed aan bladbeharing (kenmerkend voor gewassen die op diepe bodems worden geteeld) en diverse morfologische kenmerken die op een genetisch relatie met andere variëteiten duidde. Een SSR-vergelijking toonde aan dat de druif identiek is aan de Orsolina uit de provincie Reggio Emilia en de Rohrtraube blaurot, in de 19e eeuw gedocumenteerd als een oude variëteit uit het zuidwesten van Duitsland.

Vals
De specificatie “vals” werd gebruikt voor onjuiste benamingen, zoals de Aleatico uit Paderna (provincie Alessandria) die ten onrechte Aleatico wordt genoemd, omdat er geen enkel verband bleek met de ‘echte’ Aleatico die we veelal in Toscane aantreffen. Ook de Bottagera kreeg het etiket ‘vals’, weliswaar een belangrijke druif in het onderzoek, maar zonder de kenmerken die in historische geschriften werden genoemd (grote druiven en van slechte kwaliteit).

Chlorotypen
Maar liefst 235 nationale en internationale monsters werden verdeeld in chlorotypen. Een chlorotype is een haplotype (een groep van allelen, bepaalde varianten van een gen, die samen worden overgedragen) van een chloroplast (alias, bladgroenkorrels, organellen die gevonden worden in planten en waar fotosynthese plaatsvindt). Deze chlorotypen worden gewoonlijk bevonden in Vitis vinifera (volgens Arroyo-García). Van de 162 Piemontese bleken er 21 type A, 0 type B, 3 type C en 138 type D, bepaald door SSR’s en/of SNP’s. Dit bracht ook 176 ouder-nakomelingen relaties (PO) aan het licht en verwantschappen tussen 169 variëteiten. Van de PO-gerelateerde cultivars waren er 112 afkomstige uit Piemonte (daar gekweekt of gevonden), terwijl er 57 weliswaar typerend bleken voor andere geografische gebieden, maar toch ook met Piëmonte verbonden waren. Het werd duidelijk dat er zich in de loop van de tijd vele variëteiten in Piëmonte ontwikkeld hebben die op een unieke wijze met elkaar verbonden zijn en wijnen met een heel specifiek eigen karakter geven. Type D is overigens niet alleen aanwezig in de Sangiovese en de Vermentino, maar ook in de Cabernet franc en de Cabernet Sauvignon. Type A, typisch voor de wilde vinifera uit West- en Midden-Europa treffen we aan in o.a. de Pinot, de Riesling en de Syrah. Druivenrassen met type C zien we nauwelijks in Italië; een uitzondering is de Gouais blanc en zijn lokale nakomelingen.

Verwant
Hoewel er geen ouder-nakomeling relatie gemeten werd bij bijvoorbeeld de Arneis, Grignolino en Erbaluce, bleken deze wel in hogere mate verwant. Quagliano, Pelaverga piccolo, Verdea en Favorita (alias Vermentino uit Ligurië en Sardinië) bleken daarentegen niet-verwante variëteiten, terwijl de ook de PO-relatie tussen de Albana en de Garganega niet definitief kon worden vastgesteld. Dit laatste had ook te maken met het feit dat niet alle 32 loci (vaste plaatsen van een gen op een chromosoom) van de betreffende druiven gelijk waren en conclusies daarom niet 100% gegarandeerd konden worden. De afwijkingen in de loci zijn waarschijnlijk het gevolg van de accumulatie van somatische (lichamelijke) mutaties na talloze voortplantingscycli van deze zeer oude zaailingen; de geschiedenis van zowel de Albana als de Garganega gaan namelijk tot zeker de 13e eeuw terug. Ook de veronderstelde PO-relatie tussen de Neyret en de Petit rouge werd niet door alle analyses bevestigd. Opmerkelijk genoeg waren er wel weer aanwijzingen die de Nebbiolo en Nebbiolo rosé niet de relatie ouder-nakomeling geven die vaak wordt aangenomen, maar wel een volledige verwantschap als broer en zus.

Bevestiging
Sommige resultaten bevestigden bekende verwantschappen zoals die van de Cabernet Sauvignon, Chardonnay en Muscat rouge de Madère. Deze werden vooral gebruikt als referentie voor LOD-scores (logarithm of the odds, d.w.z. statistische inschatting dat genen erfelijk zijn) en de evaluatie van de IBD-coëfficiënt (identical by descent; identieke allelen met een gemeenschappelijke origine).
Ook relatie van traditionele Piëmontese variëteiten zoals de Malvasia di Casorzo en Ruchè met hun biologische ouder, de Malvasia aromatica di Parma, werd bevestigd, net als de verwantschap van de Moscato bianco als tweede ouder van de Moscato nero di Acqui. Onderzoek van het trio Freisa, Nebbiolo en Avanà leerde dat de Nebbiolo een ‘echte’ ouder is en Avanà (in Frankrijk Hibou noir genoemd) waarschijnlijk de andere ouder. Van 28 van de 44 onderzochte trio’s werden al dan niet bekende relaties aangetoond, zoals het feit dat de Dolcetto is ontstaan uit twee oude druivenrassen die niet langer worden verbouwd en waarvan de gegevens nog uitsluitend in het regionale archief te vinden zijn. Ook de Lambrusca di Alessandria blijkt het nageslacht van druivenrassen die inmiddels zijn verdwenen, terwijl vastgesteld werd dat de Vespolina (uit het noorden van Piëmonte) een afstammeling is van de Nebbiolo. De Barbera bianca bleek geen somatische variant van de normale blauwe Barbera, maar een aparte zaailing die geen enkele genetische overeenkomst heeft met de ‘echte’ Barbera. Vast staat nu ook dat Piëmonte de bakermat is van de Teinturier ad acino rotondo (alias Tintoria Lloyd) met als ouders de Franse Teinturier du Cher en de Neretto duro (alias Balau), allen al eeuwen aanwezig in Piëmonte. In 14 van de 44 trio’s vertoonde één van de twee ouders een ander chlorotype dan de ander, zodat kon worden vastgesteld wie de vader en wie de moeder is, zoals bij de Malvasia aromatica di Parma en de Doux d’Henry.

Broers en zussen
Bij meer dan 20 druivenrassen bleek sprake van een broer-zus relatie, terwijl maar liefst 930 indirecte relaties werden vastgesteld, zoals die van halfbroers, grootouder-kleinkind, vader etc. Niet overal kon met volle zekerheid worden bepaald of er sprake was van een volledig- of halfbroer, maar kon deze wel als ‘waarschijnlijk’ worden aangemerkt. Als referentie werd de relatie van de Chardonnay en de Gamay gebruikt, volle broers van elkaar. Niet helemaal zeker bleek de relatie tussen de Syrah en de Viognier, maar van de Biestro en de Dolcetto (beide nakomelingen van Dolcetto bianco en Moissan) staat de boer-zus relatie wel vast. De relatie van de Fumin-Neyret met de Fumin-Petit rouge lijkt eerder een halfbroersrelatie voor beide paren dan de volledige broer-zus-relaties die eerder werd aangenomen.

Stamvaders
Uit het totale netwerk blijkt dat slechts een handvol druivenrassen een centrale rol speelt en stamvader is voor vele druivenrassen. Aan de ene kant zijn dat de (aromatische) druivenrassen Moscato bianco en Malvasia aromatica di Parma, voorouderen van de Moissan, Coccalona nera en Bottagera (waarvan de naam overigens als ‘vals’ is aangemerkt), aan de andere kant de Lambrusca di Alessandria en de Nebbiolo. Opvallend is het feit dat alleen de Moscato bianco en de Nebbiolo nog een rol van betekenis spelen in de huidige Piemontese wijnwereld.

Hypothetisch
Hoewel concrete bewijzen niet altijd aanwezig bleken, zijn op grond van de reconstructie van genotypen hypothetische schakels toegevoegd aan het ouderschapsnetwerk. O.g.v. deze interpretatie lijkt ‘genotype #2’ bij maar liefst 6 trio’s betrokken te zijn, waardoor bijvoorbeeld de Rastajola aan 5 verschillende partners is gelinkt; de Neretto di Salto, Uvalino, Bordò, Malvasia aromatica di Parma en een onbekende blauwe druif uit de regio Spineto. Genotype #2 zou via een ouder-nakomeling relatie ook gerelateerd kunnen zijn aan de Arneis, Vurpin (vals), Grignolino, Zanello, Bottagera en Nebbiolo. Zij zouden nakomelingen van genotype # 2 zijn, bevindingen die door SNP-gegevens werden bevestigd. De precieze relatie tussen de Arneis en de Bottagera is nog onzeker, hoewel eerder al een aannemelijke volle broer/zus relatie werd gesuggereerd. Wel werd aangetoond dat de Nebbiolo, Nebbiolo rosé, Pignola en Rossola nera dezelfde ouders hebben; het zijn dus volle broers-zussen. Het gereconstrueerde genotype #3 blijkt aanwezig in variëteiten met een relatie met o.a. de  Moscato bianco, i.c. de Millegusti, Brachetto (van Nizza Monferrato) en de (valse) Aleatico; de analyses duiden op een broer-zus relatie. Genotype #3 is ook betrokken bij de oorsprong van de Cardin en de Slarina, deze laatste een historische druif die langzaam maar zeker weer wordt gebruikt voor fijne kwaliteitswijnen.

Oorzaak en gevolg
De oorzaak voor de enorme diversiteit aan druivenrassen is moeilijk te benoemen. Soms was er sprake van een groot verspreidingsgebied en contact met vele andere rassen, waarbij de verspreiding gestimuleerd werd door gunstige eigenschappen zoals een grote groeikracht. Europese genetische grondleggers zoals de Marufo, Hebén en Corna alba hebben vrouwelijke bloemen, zoals ook geldt voor de Malvasia aromatica di Parma. Deze vrouwelijke variëteiten zijn vaak ouder en hebben vaak sterkere nakomelingen dan die voortgekomen uit inteelt (veel rassen zijn hermafrodiet). Welke rol kwekers (o.a. monniken) in de loop van de eeuwen hebben gespeeld is niet altijd duidelijk naar aangenomen wordt dat zij al druivenrassen kruisten en een goed oog hadden voor sterke rassen.

Enkele hoofdrolspelers:

Bottagera (vals)
Een onbekende druif die uit Piëmonte verdween, maar onder de naam Bottagera werd teruggevonden in Valtellina. De naam Bottagera is waarschijnlijk vals, want er zijn geen overeenkomsten met de druif met dezelfde naam. De geschiedenis van dit genotype is onbekend, maar aangenomen wordt dat hij in het verleden wijdverspreid was in Noord-Italië, omdat hij voor vele cultivars heeft gezorgd die verspreid waren over een zeer groot gebied van Lombardije tot in het westen van Piëmonte.

Coccalona nera
Een andere druif die amper meer voorkomt, maar voor vele nakomelingen heeft gezorgd. Tot zijn afstammelingen behoren o.a. de Barbera en de Riesling italico (alias Welschriesling, Graševina of Olasz Rizling). Waarschijnlijk is de Coccalona zelf een kruising van Bottagera (vals) met een onbekende druif die als genotype #1 te boek staat en gereconstrueerd werd met behulp van het computerprogramma Colony. Uit deze onbekende druif kwamen ook andere druivenrassen voort, zoals de Albanina nera, Canaiolo nero en Vermentino nero. De Coccalona was ook bekend in het huidige Baden-Württenberg in Duitsland onder historische synoniemen als Wuellewälsch en Zottelwelscher, waarvan ‘wälsch/welsch’ mogelijk verwijst naar een van zijn kinderen, de Welschriesling alias Riesling Italico. Van de Riesling Italico is overigens de tweede ouder onbekend. Het is onduidelijk of de druif ook in Zwitserland werd verbouwd, zoals het Duitse synoniem Schweizertraube suggereert. Er wordt wel vermoed dat de Coccalona veelvuldig voorkwam, maar verdween door de inferieure kwaliteit van de druiven. In geschriften is te lezen hoe (in zowel Italië als Duitsland) werd geadviseerd deze rampzalige druif te rooien.

Dolcetto
Met 6000 ha, de derde meest aangeplante druif in Piemonte en een nakomeling van de Moissan uit het westen van Piëmonte (en Ligurië) en de Dolcetto bianco uit het zuiden. De druif werd voor het eerst genoemd in 1593 in Dogliani (provincie Cuneo).

Lambrusca di Alessandria
De naam doet vermoeden dat de druif uit de provincie Alessandria afkomstig is en onderzoek heeft ook aangetoond dat zijn ouders, de Neretto di Marengo en Crovìn respectievelijk uit het zuidoosten van Piëmonte en de aangrenzende regio Ligurië komen. Zijn naam verwijst ook naar Labruscae, de Latijnse aanduiding voor wilde wijnstokken, maar van een directe relatie met de Lambrusco uit (o.a.) Emilia is geen sprake. Piëmonte lijkt zijn geografische oorsprong,  zoals ook al eens eerder werd gesuggereerd door Giorgio Gambino.

Malvasia aromatica di Parma
Deze druif werd al in de 16e eeuw genoemd en blijkt nauw verwant aan de Malvasia bianca en de morfologie van de bloemen werd al in 1920 beschreven door F.A. Sannino. Hij leek verdwenen maar bleek rond 1950 toch nog te bestaan rond Parma onder de naam Malvasia odorosissima. Recentelijk is de druif weer aangeplant. Op zich geen bijzondere druif qua hoeveelheid aanplant etc. maar niettemin zeer belangrijk als ouder van vele druivenrassen.

Moissan
Waarschijnlijk geïdentificeerd als de Mauzanetto (“kleine Moissan”) en beschreven door G.B. Croce in 1606. Relatief gemakkelijk te herkennen aan zijn rode stelen, een erfelijke eigenschap die dan ook wordt doorgegeven aan nakomelingen.

Moscato bianco
Ook bekend als de Muscat à petits grains blancs en op grote schaal aangeplant in het Middellandse-Zeegebied en Midden-Europa. De oorsprong staat niet vast, maar de druif is in ieder geval al sinds de 14e eeuw bekend in Piemonte.

Nebbiolo
Deze edele druif werd al in 1266 genoemd en is al eeuwen van groot belang in Piëmonte en aangrenzende wijngebieden in Ligurië, de Valle d’Aosta en Lombardije. Hij behoort tot een groep met 7 variëteiten, waarvan hij de stamvader is, met o.a. de Vespolina, Freisa en de Bubbierasco. Wie de ouders van de Nebbiolo zelf zijn, is nog altijd onduidelijk; waarschijnlijk zijn deze druiven in de loop van de eeuwen verloren gegaan. Nebbiolo rosé, Pignola en Rossola nera zijn volle broers-zussen van de Nebbiolo, waarbij we de Pignola en Rossola nera voornamelijk in Valtellina aantreffen, maar ook in het noordoosten van Piëmonte als Pignolo spano. De Nebbiolo rosè is vrijwel overal aanwezig in het noorden van Italië, met een duidelijke aanwezigheid in Valtellina onder de naam Chiavennaschino (Nebbiolo heet daar Chiavennasca). Refosco nostrano, Marzemino, Refosco dal peduncolo rosso, Spergola, Rossoletta, Orsanella en waarschijnlijk de Ortrugo zijn halfbroers-zussen van de Nebbiolo en ook van de Teroldego wordt verondersteld dat deze een halfbroer van de Nebbiolo is, met een andere link naar de Pinot noir.

Spergola
Niet alleen nauw verwant aan de Nebbiolo, maar blijkt ook identiek aan de Vernaccia di Oristano, de  historische Sardijnse druif. Hij is gerelateerd (ouder-afstammeling) aan de Citronino en de Rapallino, twee druivenrassen uit respectievelijk Piëmonte en Ligurië. Deze gegevens maken het aannemelijker  dat de bakermat van de Spergola het Italiaanse vasteland is en niet Sardinië.

Andere
Van andere druivenrassen werd vastgesteld dat ze juist niet verwant zijn aan de belangrijkste druivenrassen uit het onderzoek, zoals de Verdea, Pelaverga piccolo, Quagliano en Favorita (alias Vermentino). Het ligt voor de hand dat deze druiven een externe oorsprong hebben, ondanks het feit dat de Favorita/Vermentino al in 1658 in Piëmonte werd gedocumenteerd onder de naam Fermentino. De Quagliano bleek identiek aan de Bouteillan uit de Provence in Frankrijk, maar heeft (toch?) nakomelingen in het zuidoosten van Italië, waar hij werd gevonden onder de lokale naam Arciprete. Een Griekse herkomst wordt als een fascinerende, maar onbewezen mening beschouwd.
Wat dat betreft hebben recente paleo-genomische analyses van druivenpitten uit Franse archeologische vindplaatsen juist aangetoond dat er veel directe genetische verbanden zijn tussen cultivars uit de Romeinse tijd en huidige variëteiten. Dit betekent dat de (al dan niet vermeende) ouders van de eeuwenoude variëteiten uit dit onderzoek veel ouder kunnen zijn dan eerder werd aangenomen of vermoed.

Syrah & Viognier
Wat betreft de relatie tussen de Syrah en de Viognier (in 2011 aangegeven door S. Myles, maar in 2012 al tegengesproken door Robinson, Harding & Vouillamoz) leek een broer-zus relatie ‘een in aanmerking komende overweging’, maar wijst dit onderzoek op een hogere relatie-graad. Er bestaat een PO-link tussen de Viognier en de Dureza, één van Syrah’s ouders.

Het is maar dat u het weet…

Voor het volledige rapport van Scientific Report, klik: hier  

Deel dit bericht:

Share on facebook
Facebook
Share on google
Google+
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn